Eerst even de wereld redden

De ochtend zit er alweer bijna op. Zoonlief heeft nog maar twee van zijn vijf schooltaken voor vandaag gemaakt. Maar al wel flink zijn (echte) juf voorgelezen via videochat. Dus laat ik het maar even zo. En gaan we eerst onze boterhammen opeten en een wandelingetje maken.

Als we langs de velden achter onze wijk lopen, roept zoonlief ineens enthousiast: “Kijk, echte oude stenen! Van heel vroeger!”
Echtgenoot en ik kijken naar de grond. Het lijkt erop dat een boer een lading oude stenen en tegels heeft gestort om de inrit naar zijn weide te verstevigen. Onze archeoloog in de dop stopt zijn broekzakken vol. Ondertussen bedenk ik hoe we hem hier weer weg krijgen zónder uitgescheurde broekzakken. Of voor hij bedenkt dat papa en mama óók broekzakken hebben.

Na wat tegensputteren van onze schatzoeker, lopen we terug naar huis. Papa en ik een paar calorieën lichter en zoonlief een paar kilo zwaarder. Onderweg bukt hij om nog wat stenen op te rapen. Ineens begint hij sneller te lopen. Verbaasd vraag ik hem waarom hij zo’n haast heeft.
“Ik moet heel belangrijk onderzoek doen,” luidt het antwoord.
“Zie je deze stenen?” Hij doet voorzichtig zijn hand een beetje open.
“Die moet ik onderzoeken. Ze hebben verschillende kleuren en kunnen misschien wel ontploffen. En dan ontploft de hele wereld, hè!” zegt hij met een ernstig gezicht.

Er volgt nog een hele uitleg waarom hij nu absoluut niet zijn schoolwerk kan doen. Het komt erop neer dat hij eerst de wereld moet redden.
Tja, daar kan ik toch moeilijk bezwaar tegen maken. En dus ruil ik mijn pet van juf tijdelijk in  voor de pet van sidekick van mijn kleine superheld. Tegen de tijd dat deze coronatoestanden voorbij zijn, heb ik een curriculum vitae van jewelste!

Terug thuis laat ik hem even heerlijk in zijn fantasiewereld opgaan. Het wordt zelfs nog even echt spannend! Uit een van de stenen komen luchtbelletjes zodra deze in contact met water komt.
“Mama, hou je oor er eens vlakbij,” zegt mijn zoon geheimzinnig.
En inderdaad, ik hoor iets borrelen. Snel werkt hij me de berging uit, waar het onderzoek plaatsvindt.
“Hij gaat ontploffen!” roept hij merkwaardig enthousiast.

Als de kust veilig blijkt te zijn, mogen we terug naar binnen. Hij gaat weer bij zijn stenen zitten en vraagt om een doekje.
“Om mijn oude stenen te poetsen. Want dat is wat een archeoloog doet.”
Zoonlief schakelt van het ene op het andere moment moeiteloos over van ontmijner naar archeoloog.  Blijkbaar zijn wij papa’s en mama’s niet de enige die nogal eens van pet wisselen.

De jeugd van tegenwoordig

Het is net een ekster, die zoon van mij. Hij is dol op alles wat blinkt. Als hij met een gelukzalige glimlach uit school komt, weet ik meteen hoe laat het is: dan heeft hij weer een blinkend kraaltje of glimmend haarspeldje op het schoolplein gevonden.

Laatst waren we in de Veritas. Hij was niet bij de knopen en kraaltjes weg te slaan. Zijn ogen glommen minstens even hard als de blinkende voorwerpen van zijn begeerte. Als je 6 jaar bent, lopen fantasie en werkelijkheid nog heerlijk door elkaar heen. En dus zijn het voor hem geen knopen, maar diamanten. En uiteraard wilde hij héél graag zo’n diamant. Ach, zo’n plastic juweel konden we ons nog wel veroorloven. O, wat was hij blij! Hij voelde zich de koning te rijk met zijn kostbare sieraad. Aan de kassa vroeg hij voor de zekerheid nog even of het een echte diamant was.

Vandaag is er een vriendje op bezoek. Al snel gaan de jongens met een speelgoedgeweer op jacht naar de yeti die zich in ons huis schijnt op te houden. Het arme beest krijgt de volle laag, overal liggen foampijltjes. Maar stiekem ben ik allang blij dat ík niet tot yeti ben gebombardeerd – letterlijk en figuurlijk.

Daarna is het lachen, gieren, brullen geblazen met het spel ‘Trap er niet in’. Geblinddoekt en met blote voeten proberen niet in de drollen (van bruine klei) te trappen. Hilarisch natuurlijk op die leeftijd – en stiekem ook nog op 43-jarige leeftijd, sst.

Na al die drukke grappen en grollen gaan de jongens rustig met Lego op de grond zitten spelen. Ineens hoor ik zoonlief op samenzweerderige toon tegen zijn vriendje zeggen: “Ik heb een echte diamant.” Hij haalt zijn nepdiamanten knoop uit de kast en laat hem zien. Het vriendje kijkt er met grote ogen naar. “Waar heb je die gevonden?”
“In een grot in de nacht. Met de club,” fantaseert mijn zoon erop los.
Waarop zijn vriendje vraagt: “Mag ik ook eens mee naar de nachtclub?”

En zo zitten de twee 6-jarigen plannen te maken om samen naar ‘de nachtclub’ te gaan. Ik had al wel eens gehoord dat de jeugd van tegenwoordig er vroeg bij is. Maar zó vroeg?!?