Wat er soms toch uit een kindermond komt

Ik ben buiten de was aan het ophangen. Als ik me omdraai, zie ik zoonlief in de border staan plassen. Nu is daar op zich niets ongewoons aan, want dat is nu eenmaal een van de geneugten in het leven van een jongetje: buiten plassen. Hij heeft er zelfs een vaste plek voor.

Dat was vroeger wel anders. Ik herinner me nog goed de eerste keer dat ik hem in de tuin zag plassen. Ik had me even van hem weggedraaid en toen ik weer keek, stond daar ineens een levende Manneken Pis in het grasveld. Maar dan ook echt nét dat bekende beeldje van het plassende jongetje in het centrum van Brussel. Met zijn buikje naar voren gedrukt en precies zo’n zelfde straaltje. Het was een ontzettend grappig en ontroerend gezicht.

Natuurlijk bleef het niet bij die ene keer. Blijkbaar is niets zo leuk voor een jongen dan buiten plassen. Nu ben ik best een flexibele moeder, dus van mij mag het. Maar dan wel altijd op dezelfde plek. Want ik herinner me nog een ander buitenplasincident. We hebben een klein moestuintje waar munt groeit. Op een dag maakte ik daar verse muntthee van. Ik vertelde mijn man dat het niet zo lekker smaakte als toen hij het een tijdje terug voor me had bereid. Ineens begon hij te lachen. “Dat komt vast door het secret ingredient,” gniffelde hij. Toen ik hem vragend aankeek, vervolgde hij: “Daniël heeft daar onlangs stiekem staan plassen.”

Je begrijpt dat ik er daarna een prioriteit van maakte om hem op een vaste plek te laten plassen. Wat hij nu dus ook keurig aan het doen is. Ware het niet dat hij zijn straal ditmaal tot over het gaas bij de buren richt. Waar kippen rondscharrelen.
“Je staat toch niet op een kip te plassen, hè!” roep ik vol afgrijzen uit.
“Nee, nee, gewoon op het randje,” beweert hij.
Ik kom toch maar even kijken of de kippen er nog droog uitzien. Wat gelukkig het geval is.
“De kippen kwamen gewoon even kijken,” vertelt hij.
“Misschien dachten ze dat je piemeltje een wormpje is,” lach ik.
“Nou, misschien denken ze wel dat jouw plasser een drinkbakje is,” luidt zijn onmiddellijke weerwoord.

Wat er soms toch uit een kindermond komt, denk ik verbaasd. En niet alleen uit zijn mond, haha! Pas de volgende keer toch maar op, lieve kippen. Voor je het weet leg je eieren met een secret ingredient.  

Run forest

Het is Hemelvaartsdag dus zijn we allemaal thuis. De dag strekt zich loom en lui voor ons uit. Net als wijzelf. We lummelen na het ontbijt nog wat in onze pyjama rond. Zoonlief speelt met Lego, ik speel de jury. We hangen wat voor de tv. Maar dan vind ik het wel eens tijd om in actie te schieten. Wat gaan we doen vandaag?

Het wordt 27 graden. Best warm dus. We besluiten om niet in de tuin te blijven puffen, maar een boswandeling te maken. Dat wil zeggen: ik beslis dat.
Op ferme toon deel ik mee dat we nu echt eens naar het bos gaan. Dat mama ook wel eens mag kiezen. Want hoewel ik onze fietstochtjes zeker waardeer, vind ik niets zo fijn als een flinke boswandeling.

Mijn vastberaden houding werpt de gehoopte vruchten af. Zelfs papa, die anders maar moeilijk te porren is voor een wandeling in “altijd datzelfde bos”, protesteert niet. Ik maak snel een rugzakje klaar met voor iedereen een drinkfles met water en een kleine versnapering en dan vertrekken we.

Bij het bos aangekomen, verbaast het me hoe rustig het er is. Met dit warme weer had ik verwacht dat veel meer mensen de verkoeling van het bos zouden opzoeken.
Zoonlief wil graag naar het bosmeertje om kikkers te zien. Ik vind het allemaal prima. Ik snuif de boslucht diep op en voel me herleven na alle spanning van de afgelopen tijd. Het juf spelen voor een onwillige leerling, de huishoudelijke chaos, de coronamaatregelen, … het heeft er allemaal best ingehakt. Maar hier, in dit bos, voelt het alsof er een last van mijn schouders valt. Ik geniet met volle teugen.

Dan ontdekt zoonlief tussen het gebladerte een klein zijweggetje. Hij is dol op zulke ‘geheime weggetjes’. Dus gaan we met zijn drieën op avontuur. Hij rent voorop, springt over omgevallen boompjes, bukt voor laaghangende takken. En dan lukt hem wat zelfs mijn sportieve echtgenoot nog niet is gelukt: mij in beweging krijgen. Als een – oudere – jonge hinde ren en spring ik achter hem aan. Ik voel me waarachtig een paar jaar jonger!

We maken een paar gekke foto’s en lopen dan terug naar het hoofdpad.
Ineens begint mijn echtgenoot wild om zich heen te slaan. Hij mept op zijn been en heeft meteen een flinke bloedplek aan zijn handen. De muggen komen massaal op hem afgevlogen. Ik voel niets, maar zie er ook twee op mijn been landen. Snel sla ik ze weg en kijk of er geen op mijn zoontje zitten. Nee, niets te zien gelukkig.

Blijkbaar vinden ze papa het lekkerst. Ik ben voor de muggen een soort peer – ook in het echt trouwens, maar dat terzijde. Zoonlief waarschijnlijk iets als spruitjes. Maar papa is duidelijk een slagroomtaart. Onweerstaanbaar lekker.

We zetten het op een rennen. Alweer.
Thuisgekomen zit papa al onder de dikke muggenbulten. Als kersen op de taart.

Waar blijft die kus?

Hèhè, ik zit. Zoonlief slaapt en ik kan naar de bank lopen zonder over speelgoed te struikelen. Dat lijkt me wel genoeg voor vandaag.

Voor één keer overwin ik mijn insta-verslaving en besluit ik tv te kijken.
De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat dit niet geheel aan mijn ijzeren zelfdiscipline te danken is. Die heb ik namelijk niet.

Het zit zo: de opnameruimte van onze decoder is vrijwel volledig bezet. En manlief was onlangs aan het wissen geslagen om weer wat ruimte te creëren. Ik kon hem met moeite overtuigen om Pride and Prejudice te laten staan. Die heb ik maanden – of misschien zelfs wel meer dan een jaar – geleden opgenomen. Leek me echt een film voor mij: romantisch. Want dat ben ik dan weer wel.

En zo zit ik heerlijk op de bank genesteld met een kop warme thee in mijn handen en een dekentje over mijn benen. Echt zalig. Who needs Instagram als je kunt verdrinken in de hemelsblauwe ogen van Mr. Darcy!

Hoewel het een verfilming is uit 2005, is het een heerlijk trage film. Niet verwonderlijk misschien, aangezien het verhaal zich afspeelt in de 18e eeuw. Maar ik vind het best een verademing dat de hoofdpersonen niet al na tien minuten met elkaar in bed liggen.

De spanning bouwt langzaam maar zeker op. Oké, eerlijk gezegd zo langzaam dat zelfs ik bijna uitschreeuw: waar blijft die kus?! Maar we komen er wel. Er wordt al eens een veelbetekenende blik naar de ander geworpen. Die de ontmoeting daarna nog wat langer duurt. Je voelt de onderhuidse aantrekkingskracht.

Dan komt mijn eigen blauwogige adonis binnen. Manlief ploft naast me op de bank. Hij werpt één blik op de televisie en kreunt. En dan niet zo’n kreun als die van mij als ik naar een close-up van Mr. Darcy kijk, maar zo’n typische o-nee-een-vrouwenfilm-kreun. Zoals enkel mannen dat kunnen. Maar dan wel steeds van zijn smartphone opkijken en vragen wie nou wie is in de door hem zo verachte vrouwenfilm. Ken je dat?

Twee keer doe ik een poging om hem te antwoorden. Maar dan moet ik steeds de film een stukje terugspoelen omdat ik een paar scènes maar half meekrijg. Want hoe traag het verhaal zich dan ook mag afwikkelen, ik wil geen woord missen. Dus sommeer ik manlief om me met rust te laten en zich op zijn eigen bezigheid te concentreren. Ik weet het, niet erg romantisch van me.

Maar als het moment dan eindelijk daar is en de eerste kus in de lucht hangt, grijp ik naar zijn hand. Om deze niet meer los te laten tot de film is afgelopen. Tja, je bent romantisch of je bent het niet.

Het scheelde maar een haartje

Gewapend met een flesje alcoholgel, mijn smartphone en identiteitskaart trek ik de deur achter me dicht. Ik adem de frisse buitenlucht diep in en zet er stevig de pas in. Deze mama heeft een missie!

De weersomstandigheden zijn gunstig: het regent. Geen Belgische kat of Nederlandse kip te zien op straat. Ik trek mijn capuchon diep over mijn hoofd en loer naar alle kanten. Eén keer moet ik razendsnel wegspringen omdat een fietser plots de bocht omslaat.

Dan kom ik op de plaats van mijn bestemming aan. De poort staat wijd open. Maar er is niemand te zien. Gelukkig maar.
Onder het afdak op het schoolplein staan genummerde dozen op een lange rij. Ik loop snel naar de doos waar zoonliefs klasnummer op staat.

Voor ik tussen de berg zakjes op zoek ga naar die van hem, haal ik het flesje alcoholgel uit mijn jas. Ik ontsmet mijn handen, je weet tenslotte maar nooit of ik dat rottige virus niet zelf bij me draag.

Ik moet verschillende zakjes optillen voor ik die van mijn zoon vind. Net als ik me omdraai om te vertrekken, komt er een mama met twee kinderen aan. Ik ken ze niet. De kinderen zijn nog jong, maar houden keurig afstand. De mama een stuk minder. Snel wandel ik de schoolpoort weer uit.

Ik ben nog maar een paar stappen op weg, als ik het voel: een haar in mijn mond. Wat nu?
Ik heb zopas zakjes aangeraakt waar het virus op zou kunnen zitten. Dus de haar uit mijn mond halen is geen optie. Het zakje op de grond zetten en het potje alcoholgel opnieuw uit mijn jas halen dan maar?

Lijkt me de moeite niet voor die paar minuten lopen. Dus stap ik maar stevig door. De regen begint nu met bakken uit de lucht te komen. Maar ik voel het nauwelijks. Het enige dat ik voel is die vervelende haar in mijn mond.

Blazen helpt niet, vreemde mondbewegingen maken helpt ook niet. De haar blijft zitten waar hij zit. Negeren dan maar. Maar dat lukt dus voor geen meter (en een half). Ik kan aan niets anders meer denken. Nooit geweten dat het zo moeilijk is om een haar NIET uit je mond te halen.

Maar weet je wat nog het ergste was? Bij thuiskomst kwam ik erachter dat de bundel met schooltaken niet in het zakje zat. Blijkbaar staken daar enkel de paaseieren en het moederdagcadeau in. Vlak naast de doos met zakjes stond nog een doos: die met de bundels voor de beide klassen van het eerste leerjaar.

Dus moest ik weer terug.
Zucht. Het scheelde maar een haartje of mijn missie was geslaagd.

Het grote nadeel van Instagram

Ik zit nu een aantal maanden op Instagram. En ik moet zeggen dat ik het ontzettend leuk, gezellig, inspirerend, grappig en ontroerend vind. De allerschattigste babysnoetjes komen voorbij, de mooiste natuurfoto’s, eerlijke verhalen, hilarische quotes, …
Ik geniet er echt van. En doe mijn best om ook een grappige en herkenbare account te bieden.

Maar, naast dat het nogal verslavend werkt, merk ik dat mijn ontdekking van Instagram nog één groot nadeel heeft: ik kijk voortaan door insta-ogen naar mijn zoon.

Neem nu zopas in de tuin. Zoonlief huppelt met een stok tussen zijn benen als een ridder op zijn paard naar zijn Playmobildraak. Om die vervolgens met zijn zwaard te verslaan. Ik zit op de schommel naar het tafereel te kijken en denk onmiddellijk: o, leuk voor op Insta!
Er borrelt ook al meteen een bijpassend tekstje naar boven.

Maarrrr… mijn smartphone ligt nog binnen! Net als ik een sprintje wil trekken, spreek ik mezelf streng toe. En besluit om gewoon te blijven zitten om te genieten van mijn zoon die zo heerlijk in zijn fantasie opgaat. Want hoe leuk het ook is om je geluksmomenten met de rest van de wereld te delen, het is nóg fijner om er eerst zelf volop van te genieten.

Het doet me denken aan een tip die ik jaren geleden eens las: koop op je vakantiebestemming een paar postkaarten van de mooiste bezienswaardigheden in de streek, in plaats van je halve vakantie door een fototoestel te beleven.
Nu kan ik natuurlijk geen postkaarten van mijn zoons avonturen kopen, maar de essentie van deze tip is me wel duidelijk.

Ik zal een gulden middenweg moeten zoeken. Hoe die balans eruit gaat zien, weet ik nog niet. Maar één ding staat vast: de weegschaal zal altijd naar de kant van mijn allerliefste zoon overslaan. Want hoeveel volgers die leuke posts ook mogen opleveren, ik volg nog altijd in de eerste plaats mijn hart.  

Eerst even de wereld redden

De ochtend zit er alweer bijna op. Zoonlief heeft nog maar twee van zijn vijf schooltaken voor vandaag gemaakt. Maar al wel flink zijn (echte) juf voorgelezen via videochat. Dus laat ik het maar even zo. En gaan we eerst onze boterhammen opeten en een wandelingetje maken.

Als we langs de velden achter onze wijk lopen, roept zoonlief ineens enthousiast: “Kijk, echte oude stenen! Van heel vroeger!”
Echtgenoot en ik kijken naar de grond. Het lijkt erop dat een boer een lading oude stenen en tegels heeft gestort om de inrit naar zijn weide te verstevigen. Onze archeoloog in de dop stopt zijn broekzakken vol. Ondertussen bedenk ik hoe we hem hier weer weg krijgen zónder uitgescheurde broekzakken. Of voor hij bedenkt dat papa en mama óók broekzakken hebben.

Na wat tegensputteren van onze schatzoeker, lopen we terug naar huis. Papa en ik een paar calorieën lichter en zoonlief een paar kilo zwaarder. Onderweg bukt hij om nog wat stenen op te rapen. Ineens begint hij sneller te lopen. Verbaasd vraag ik hem waarom hij zo’n haast heeft.
“Ik moet heel belangrijk onderzoek doen,” luidt het antwoord.
“Zie je deze stenen?” Hij doet voorzichtig zijn hand een beetje open.
“Die moet ik onderzoeken. Ze hebben verschillende kleuren en kunnen misschien wel ontploffen. En dan ontploft de hele wereld, hè!” zegt hij met een ernstig gezicht.

Er volgt nog een hele uitleg waarom hij nu absoluut niet zijn schoolwerk kan doen. Het komt erop neer dat hij eerst de wereld moet redden.
Tja, daar kan ik toch moeilijk bezwaar tegen maken. En dus ruil ik mijn pet van juf tijdelijk in  voor de pet van sidekick van mijn kleine superheld. Tegen de tijd dat deze coronatoestanden voorbij zijn, heb ik een curriculum vitae van jewelste!

Terug thuis laat ik hem even heerlijk in zijn fantasiewereld opgaan. Het wordt zelfs nog even echt spannend! Uit een van de stenen komen luchtbelletjes zodra deze in contact met water komt.
“Mama, hou je oor er eens vlakbij,” zegt mijn zoon geheimzinnig.
En inderdaad, ik hoor iets borrelen. Snel werkt hij me de berging uit, waar het onderzoek plaatsvindt.
“Hij gaat ontploffen!” roept hij merkwaardig enthousiast.

Als de kust veilig blijkt te zijn, mogen we terug naar binnen. Hij gaat weer bij zijn stenen zitten en vraagt om een doekje.
“Om mijn oude stenen te poetsen. Want dat is wat een archeoloog doet.”
Zoonlief schakelt van het ene op het andere moment moeiteloos over van ontmijner naar archeoloog.  Blijkbaar zijn wij papa’s en mama’s niet de enige die nogal eens van pet wisselen.

Mag ik jouw bril even lenen?

In mijn recente blog Moederskindje in coronatijd schreef ik hoe blij mijn 6-jarige zoon is om het klokje rond bij mama thuis te mogen vertoeven. Hij heeft er nog geen traan om gelaten dat de scholen wegens het coronavirus gesloten zijn.

Niet dat hij het daar nu zo vreselijk vindt, hoor. Hij heeft een lieve juf en fijne klasgenootjes. Het leren gaat hem ook goed af, dus ongelukkig is hij er zeker niet. Maar onder moeders vleugels voelt hij zich het veiligst en durft hij helemaal zichzelf te zijn. Het is een echt moederskindje.

Uiteraard ben ik blij dat mijn zoontje zo dol op me is, laat dat duidelijk zijn. Maar het is ook best intensief. De hele dag door klinkt het: “Mama! Mamáááááá!”

Hij is bovendien enig kind en heeft dus geen broertje of zusje om mee te spelen (of ruzie mee te maken). Ik kan het dan ook niet over mijn hart verkrijgen om hem keer op keer te antwoorden dat ik nu echt even dit of echt even dat moet doen. Om nog maar te zwijgen over zijn buitengewone gave om mij met zijn grote bruine puppyogen en knipperende wimpers over te halen tot het spelen van weet ik wat voor spel.

Het schrijven van dit blog heb ik dan ook al minstens tien keer onderbroken om speelgoedautomaatje met zoonlief te spelen. Waarom ik dan niet ’s avonds schrijf als hij in bed ligt? Omdat ik tegen die tijd zelf al half op apegapen lig. Dan krijg ik echt geen zinnig woord meer op papier.

Het gevolg is wel dat ik vaak gefrustreerd ben over al de dingen die ik zou willen doen, maar waar ik niet aan toe kom. En ’s avonds afgepeigerd op de bank neerplof om niet lang daarna zelf in bed te kruipen. Tot mijn wekker de volgende dag weer roept: “Mama, kóóóm!”

Maar dan zie ik een reactie van een mama op Instagram over mijn moederskindje. Wat fijn dat je kind zo flexibel is, schrijft ze.
Ineens is het alsof ik door een andere bril naar mijn zoon kijk. En dan zie ik het ook: hij heeft zich geweldig aan deze nieuwe omstandigheden aangepast. Hij is helemaal niet van slag door de veranderingen die ons leven zo plots op zijn kop hebben gezet. Stelt zich er amper vragen bij. Wat is hij flexibel!
Bedankt, lieve insta-mama, om mij even je bril te lenen.

Misschien zouden we dat allemaal eens moeten doen: de bril van iemand anders opzetten.
De mensen die nu nog altijd de maatregelen aan hun laars lappen, zouden dringend eens door de bril van een zorgverlener op de intensive care moeten kijken. En wat te denken van de mama’s (en papa’s) die op internet roepen dat we niet moeten zeuren dat we onze kinderen nu de hele dag thuis hebben – we hebben toch zelf voor kinderen gekozen?

Wat als deze ouders nu eens de bril opzetten van een papa of mama met een kind met een (of meerdere) stoornis(sen)? De mensen met een tuin, de bril van iemand die in een klein appartementje zonder balkon woont. En gezinnetjes de bril van alleenstaanden eens op hun neus zetten. Of andersom.
En ga zo maar door.

Het is zo gemakkelijk om over een ander te oordelen, zolang we door onze eigen – door onze persoonlijke situatie gekleurde – bril kijken. Laten we die daarom voor deze keer eens afzetten en er eentje van een ander lenen. Het zou voor veel meer begrip kunnen zorgen. Voor meer compassie. En verdraagzaamheid. Iets wat we in deze nare tijd maar al te goed kunnen gebruiken.