Daar liggen we dan, boven op Emma

Mijn echtgenoot heeft een vriendinnetje. Emma heet ze. Tja, het zat eraan te komen. Het is ook wel een beetje mijn eigen schuld. Hij heeft me vaak genoeg benaderd en keer op keer wees ik hem af. Ik had er gewoon écht geen zin in. Sterker nog: ik voel er de laatste jaren geen enkele behoefte meer toe.

In het begin van onze relatie trouwens nog wel, hoor. Toen ging ik er nog flink tegenaan. Meerdere keren per week. Nu kan ik me daar niets meer bij voorstellen. Maar ja, die beginjaren, hè. Dan doe je nog zotte dingen. Maar nu dus nog maar zelden. En zeker niet meer zo gepassioneerd. En dan kun je er natuurlijk de donder op zeggen dat je man het ergens anders gaat zoeken. Zó klassiek.

Hij heeft haar tijdens een vergadering ontmoet. Ze hadden meteen een klik. En van het een kwam het ander. Voor hij het goed en wel besefte, bevonden ze zich samen in één ruimte. De fitnessruimte. O, had ik dat nog niet gezegd? Ze is zijn sportmaatje. Ik ben niet (meer) zo voor sport te porren. Zeker niet voor krachttraining. En dat is nu juist wat mijn echtgenoot en zijn sportvriendinnetje zo leuk vinden.

Gelukkig vindt het contact vooral digitaal plaats – ze woont een paar landen verderop. Ze sturen elkaar hun trainingsschema’s en -resultaten door. Eerlijk gezegd moest ik er wel aan wennen, hoor. Mijn echtgenoot die zo intensief met een andere vrouw berichten uitwisselt. Als je zo onzeker bent als ik – iets met de hele lagereschooltijd gepest zijn – kan er wel eens wat lichte jaloezie de kop opsteken.

En nu zijn we net een nieuw bed gaan uitzoeken. Er stond van alles in de showroom: bedden met een groot leren hoofdbord, luxe boxsprings, maar ook van die heerlijk ouderwetse metalen frames. Wij gingen echter voor een houten bed. Eigenlijk was er maar eentje bij waar we allebei enthousiast over waren. En dus is die het geworden. Er zit echter één nadeel aan: het bed heet Emma. Dat geloof je toch niet! Waarom moeten ze het bed dat ik mooi vind, nu uitgerekend Emma noemen, grr.

Maar ik heb een oplossing bedacht, hoor. Om te voorkomen dat ik nare dromen krijg over de combinatie Emma-bed-mijn echtgenoot, heb ik besloten ons bed te herdopen. Ik twijfel nog tussen Brad (rijmt wel lekker op ‘bed’) en Thor.

De jonge wijze man

Echtgenoot en ik staan in de badkamer te kibbelen. Het is niet de eerste keer – en zal ongetwijfeld ook niet de laatste keer zijn. Sinds we een kind hebben, mopper ik regelmatig op mijn man. Waarom moet hij dan ook uitgerekend tijdens de fruitpauze een chocoladereep voor zoonliefs neus gaan staan opeten? En dan nog in de verdediging schieten:
“Het is een sportreep.” Sportreep, yeah right. Er mogen nog zoveel proteïnen in zitten, die dikke laag chocolade eromheen spreekt boekdelen.

Van dit soort ondoordachte acties word ik niet bepaald vrolijk. Hoe zachtaardig ik van nature ook ben, als iets mijn kind kan kwetsen verander ik in een leeuwin. Kom je aan mijn kind, dan kom je aan mij. Dat idee. En dus moet met name mijn echtgenoot het vaak ontgelden.

Terwijl we daar zo lijnrecht tegenover elkaar staan, horen we onze 6-jarige ineens stellig zeggen:
“Ik weet wat er gaat gebeuren. Jullie gaan uit elkaar.”
De stilte die volgt is oorverdovend. Manlief en ik kijken elkaar geschrokken aan. Zo, hoe bedoel je stevige wake-upcall. We maken weliswaar nooit écht ruzie, het is altijd maar wat gemopper en gezeur. Maar toch. Onschuldig is het blijkbaar ook niet.

We nemen onze zoon samen in onze armen en stellen hem gerust: papa en mama gaan niet uit elkaar. We zijn soms een beetje boos op elkaar, maar hebben geen ruzie. En bovenal: we houden van elkaar. Met al onze goede én slechte eigenschappen. Dat hebben we elkaar bovendien beloofd.

Er volgen de nodige kusjes en knuffels en dan is alles weer goed. Ook tussen ons. Soms heb je gewoon iemand nodig die je wakker schudt. Die je met zijn wijze woorden vraagt waar je in hemelsnaam mee bezig bent. En soms is die iemand nog maar 6 jaar oud.

De jeugd van tegenwoordig

Het is net een ekster, die zoon van mij. Hij is dol op alles wat blinkt. Als hij met een gelukzalige glimlach uit school komt, weet ik meteen hoe laat het is: dan heeft hij weer een blinkend kraaltje of glimmend haarspeldje op het schoolplein gevonden.

Laatst waren we in de Veritas. Hij was niet bij de knopen en kraaltjes weg te slaan. Zijn ogen glommen minstens even hard als de blinkende voorwerpen van zijn begeerte. Als je 6 jaar bent, lopen fantasie en werkelijkheid nog heerlijk door elkaar heen. En dus zijn het voor hem geen knopen, maar diamanten. En uiteraard wilde hij héél graag zo’n diamant. Ach, zo’n plastic juweel konden we ons nog wel veroorloven. O, wat was hij blij! Hij voelde zich de koning te rijk met zijn kostbare sieraad. Aan de kassa vroeg hij voor de zekerheid nog even of het een echte diamant was.

Vandaag is er een vriendje op bezoek. Al snel gaan de jongens met een speelgoedgeweer op jacht naar de yeti die zich in ons huis schijnt op te houden. Het arme beest krijgt de volle laag, overal liggen foampijltjes. Maar stiekem ben ik allang blij dat ík niet tot yeti ben gebombardeerd – letterlijk en figuurlijk.

Daarna is het lachen, gieren, brullen geblazen met het spel ‘Trap er niet in’. Geblinddoekt en met blote voeten proberen niet in de drollen (van bruine klei) te trappen. Hilarisch natuurlijk op die leeftijd – en stiekem ook nog op 43-jarige leeftijd, sst.

Na al die drukke grappen en grollen gaan de jongens rustig met Lego op de grond zitten spelen. Ineens hoor ik zoonlief op samenzweerderige toon tegen zijn vriendje zeggen: “Ik heb een echte diamant.” Hij haalt zijn nepdiamanten knoop uit de kast en laat hem zien. Het vriendje kijkt er met grote ogen naar. “Waar heb je die gevonden?”
“In een grot in de nacht. Met de club,” fantaseert mijn zoon erop los.
Waarop zijn vriendje vraagt: “Mag ik ook eens mee naar de nachtclub?”

En zo zitten de twee 6-jarigen plannen te maken om samen naar ‘de nachtclub’ te gaan. Ik had al wel eens gehoord dat de jeugd van tegenwoordig er vroeg bij is. Maar zó vroeg?!?  

Navelstaren in een nieuw jasje

Mijn 6-jarige zoon houdt van gekke ritueeltjes. Niet geheel toevallig vooral als het bedtijd is. Ach, op die paar minuten extra komt het toch ook niet aan. En dus is het bedtijdritueel van tandenpoetsen-boekje lezen-verhaaltje vertellen, uitgebreid met een kriebelsessie. Uiteraard ben ik het kriebelslachtoffer. Zoonlief kriebelt me in mijn nek, met zijn kriebelvingertjes over mijn wang, in mijn handpalmen, over mijn rug en tot slot zijn all time favorite: een kriebeltje op mijn buik.

Zo ook vanavond: oudejaarsavond. We vieren het dit jaar voor het eerst gezellig met zijn drietjes thuis. Met heerlijk eten van een plaatselijke cateraar. Tussen de verschillende gangen door, spelen we gezelschapsspelletjes. Een heel aangename formule, moet ik zeggen.
Na het eten kruipen we knusjes met zijn drieën onder een fleecedekentje op de bank. Even uitbuiken, poeh.

We kijken nog een verlate kerstfilm en dan is het echt tijd om zoonlief naar bed te brengen.  Tijdens het kriebelritueel zie ik dat mijn buik nog steeds bol staat van alle lekkernijen. Het doet me denken aan de uitdrukking ‘food baby’: een opgeblazen buik alsof je zwanger bent. Onwillekeurig moet ik glimlachen. Het doet me terugdenken aan de tijd dat zoonlief nog in mijn buik zat. Ik had echt een énorme buik. Niks food baby, je kon er een heel regiment mee voeden. Daar is dit bescheiden bolletje niets bij.

Ik wijs op mijn buik en zeg tegen zoonlief: “Hier heb jij vroeger ingezeten.”
Hij luistert geïnteresseerd en brengt dan zijn hoofd naar mijn buik. Ik zie hoe hij zijn oog vlak voor mijn navel houdt.
“Wat doe je?” vraag ik hem.
Hij: “Ik kijk of mijn spulletjes er nog inzitten.”

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag