Ken je die mop van …?

Zoonlief loopt zenuwachtig in de tuin te ijsberen. Hij is in opperste staat van waakzaamheid. Wee degene die zijn kipjes ook maar een haar – of pluim – durft te krenken.

Zijn ogen zijn constant op de tuinmannen gericht die de leilinden aan het snoeien zijn. Ze zijn aan het andere eind van de rij bomen begonnen. En komen nu steeds dichter bij de kippenren. Nog vier bomen, nog drie, nog twee … Tijd om de kippen hun hok in te lokken. Want terwijl de mannen driftig aan het snoeien zijn, regent het takken. En zoonlief is doodsbang dat er een op zijn geliefde kipjes zal vallen.

Ik kan er niets aan doen, maar ineens moet ik aan die bekende mop denken. Maar dan in een andere variant: wat zegt een kip die een tak op haar kop krijgt? Tok.

Als de dames veilig in hun onderkomen zitten, gaan de mannen aan de slag. Ze werken hard door. Er wordt dan ook flink op hun vingers gekeken door onze kleine man. Het kan hem niet snel genoeg gaan. Als de bomen van hun laatste wildgroei zijn ontdaan, kijkt hij met afgrijzen naar de ravage van takken en bladeren in de kippenren. Ik kan hem nog net tegenhouden als hij met zijn kinderborstel de ren in wil stormen. “Laat dat maar aan die mannen over,” zeg ik tegen hem. “Daar betalen we ze voor,” fluister ik erachteraan. En het gaat sneller als zij het doen. Ook ik wil natuurlijk graag dat onze lieve scharreliewarrelies zo vlug mogelijk weer lekker vrij kunnen rondscharrelen.

Oef, de tuinmannen zijn klaar. Zoonlief is er als de kippen bij om het hok te openen.
“Kom maar, kipjes. Ze zijn weg,” zegt hij geruststellend. Maar de kipjes verroeren geen vin – of veer eigenlijk. Ze zijn duidelijk niet van plan om meteen weer naar buiten te komen. Als zoonlief ze letterlijk een duwtje in de rug wil geven, grijp ik in. “Kom, we laten ze nu eerst even met rust. Dan komen ze vanzelf wel weer naar buiten.”

Het gaat niet helemaal van harte, maar uiteindelijk kan ik zoonlief ervan overtuigen dat het voor zijn kipjes het beste is dat we ze voorlopig niet storen.

En inderdaad, niet veel later scharrelen de dames weer vrolijk rond alsof er niets is gebeurd. Zoonlief heeft nog een verrassing voor ze. Hij heeft de tuinmannen gevraagd om een paar takken te laten liggen. Daarvan maakt hij een ‘speelhoekje’ voor de kippen.

Ja ja, de dames worden nogal verwend hier. Inmiddels hebben ze een ‘ballenbak’ – een met bakstenen afgebakende hoop bladeren – een schuilhokje dat ze voornamelijk als dakterras gebruiken en nu dus ook een speelhoek. Ik ben al benieuwd wat het volgende gaat zijn. Een trampoline? Een bubbelbad? Ik zou voor minder een ei leggen.

Scharreliewarrelies

Hoe koop je een kip? vroeg ik me af. We hadden nu wel een gezellig kippenhok, een redelijk groot afgebakend stuk tuin, alle eet- en drinkbenodigdheden én comfortabele bodembedekking, maar er ontbrak nog één ding: de kippen zelf.

Voor zover ik weet, bestaat er geen kippenwinkel waar je naar believen een paar – levende! – kippen uit de winkelrekken kunt plukken. Navraag leerde dat we ze telefonisch konden bestellen bij de plaatselijke winkel voor tuin, dier en bakplezier (voor de ongeruste lezer: dat laatste slaat op bakproducten, je moet het los van de dieren zien).

Zo gezegd, zo gedaan. Ik kreeg een vriendelijke mevrouw aan de telefoon die me vroeg welk kippenras en welke kleur ik had gewenst. We gingen voor Cochin krielkippen vanwege hun rustige, kindvriendelijke karakter. Nadat ik me ervan had vergewist dat het echt niet uitmaakte welke kleur ik zou kiezen (ik wilde niet dat zusjes omwille van hun kleur uiteen zouden worden gehaald), koos ik dan maar voor een bruine, een witte en een gespikkelde. Zou zoonlief vast wel leuk vinden, zo’n bonte verzameling kippen.

Liefde op het eerste gezicht

Een kleine twee weken later was het zover. Op een woensdagmiddag mochten we onze kipjes gaan halen. Wel zo fijn voor zoonlief, want die wilde natuurlijk maar wat graag mee.

We moesten ons bij de kassa van de winkel melden, waar we na betaling onze gevederde vriendjes in ontvangst mochten nemen. We stonden alle drie te stuiteren van opwinding toen een medewerkster met een grote doos kwam aanlopen. Nadat ze de doos voorzichtig op de grond had gezet, liet ze ons er een blik in werpen.

Brandend van nieuwsgierigheid staken we onze hoofden bij elkaar om ze te kunnen zien. Daar zaten ze dan. Drie superschattige pluizenbolletjes dicht tegen elkaar aangekropen van angst. Voor ons was het liefde op het eerste gezicht. Zelfs papa die er eerst niks van wilde weten (omdat het hebben van dieren extra werk met zich meebrengt), keek uiterst vertederd naar de drie kipjes. Er zat trouwens nog een verrassing bij: aan de telefoon werd mij verteld dat de kuikens vier maanden oud zouden zijn. Maar nu bleek er een kleintje bij te zitten die nog een stuk jonger was. En in plaats van een gespikkelde, kregen we een prachtig parelgrijs kipje.

Heel voorzichtig reden we met onze kostbare lading naar huis. Toen kwam het spannendste onderdeel: de kippen uit de doos halen. Ik ben nogal een held op sokken, maar met handschoenen aan durfde papa deze taak gelukkig wel op zich te nemen. Die handschoenen bleken overigens geen overbodige luxe. Uit verdediging of van angst werd er meermaals in gepikt.

Toen manlief de kipjes voorzichtig in hun nieuwe onderkomen had gezet, lieten we ze eerst een tijdje met rust zodat ze konden bijkomen en aan hun nieuwe omgeving konden wennen.

Later op de dag mocht zoonlief zijn gevederde vriendjes een verlaat ontbijt op bed gaan brengen. Nou, daar hadden de dames wel zin in. En de glimlach van oor tot oor van zoonlief spreekt ook wel boekdelen, denk ik.

Het eerste contact was gelegd.

Haantje de voorste

Inmiddels zijn we bijna twee weken verder en is het alsof Bruintje, Grijsje en Witje – hoe kom je erop – hier altijd al zijn geweest. We zijn alle drie dol op ze! Het is ontzettend grappig om te zien hoe verschillend ze zijn. Ons dappere kleine Witje is een echt haantje de voorste. Ze was dan ook de eerste die het kippenhok durfde uit te komen. Bruintje is altijd op haar hoede en werpt zich duidelijk op als beschermvrouwe van het trio. Grijsje, ten slotte, is de rustigste van het stel.

Eerlijk gezegd heb ik nog nooit zo graag in de keuken gestaan als nu. Het uitzicht op onze scharrelende kippen – ik noem ze liefkozend scharreliewarrelies – maakt elke afwas goed. Zo leuk om te observeren wat ze aan het doen zijn! Soms maken ze gekke sprongen in de lucht om een vliegend insect te vangen. Op andere momenten zitten ze heel gezusterlijk naast elkaar in een hoekje om te rusten en zich te wassen. Want kippen zijn heel schone dieren, zoveel heb ik al geleerd.

Zonder zeuren naar bed

En wat ook zo zalig is: ze gaan uit zichzelf op stok. Nog voor het echt schemerdonker is, gaan de dames zonder mopperen – je hoeft het ze zelfs niet te vrágen – het trapje op en hun nachthok in. Iets daarna komen wij het deurtje dichtschuiven zodat ze veilig en warm zitten. We kunnen het niet laten om altijd nog even door een kiertje te loeren om te zien of alles goed met ze gaat. Echt, je kunt je niet voorstellen hoe ontzettend schattig dat eruitziet, die drie fluffy bolletjes in hun hokje. De dames zitten gezellig bij elkaar en maken een zacht geluidje als we naar ze kijken. Snel doen we het deurtje weer toe en laten ze lekker slapen.

Daarna is het tijd om mijn eigen kuiken in bed te stoppen. Dat heeft iets meer voeten in de aarde. Pyjama aan, tanden poetsen (soms een hele uitdaging), voorlezen en niet te vergeten een hele reeks hoe-kan-ik-mijn-bedtijd-nog-wat-rekken-perikelen. Variërend van “Ik heb nog dorst” tot “Ik moet weer plassen.” En dan natuurlijk nog allerhande belangrijke levensvragen die niet tot morgen kunnen wachten: “Mama, is mijn bed van atomen gemaakt?” bijvoorbeeld.

Als ook zoonlief slaapt, gaat deze moederkloek tevreden naar beneden. Nog even wat me-time met een goed boek of gezellig met manlief voor de buis hangen. Om niet veel later mijn eigen nest op te zoeken. Ik moet tenslotte de volgende dag zelf ook weer vroeg uit de veren.

Kip, ik heb je

Hoera, project KIP is van start gegaan! Daniëls droom gaat eindelijk in vervulling: hij krijgt een huisdier. Wat zeg ik: drie zelfs!

De teleurstelling die van zijn gezicht droop toen de achterbuurvrouw onlangs tegen hem zei dat hij hun kippen niet meer mocht komen voeren, gaf voor mij de doorslag. Ik zie hem daar nog staan. Hij staarde haar ontzet aan en kon geen woord meer uitbrengen. Ik sloeg mijn armen om hem heen en fluisterde in zijn oor: “Jij krijgt je eigen kippen, lieverd. Beloofd.”

Ik begrijp het overigens best, hoor. Onze achterburen zijn al op leeftijd en toen zij zich ineens niet lekker voelde, sloeg de schrik haar om het hart. Dat ze ons vervolgens met onze bubbelvrienden in de tuin hoorden lachen, zal er ook geen goed aan hebben gedaan (ook al hielden we ruim afstand en maakte ik de hapjes klaar met een mondmasker op). Ze zijn bang dat het coronavirus hen te pakken krijgt.
Maar jammer is het wel. Want het maakte ons zoontje zo gelukkig, zijn dagelijkse gang naar het kippenparadijs aan de andere kant van de omheining.

“Kom, we gaan op de computer een kippenhok uitkiezen,” zei ik tegen hem. Ik nam zijn hand in de mijne en samen gingen we naar binnen. Ik pakte een nieuw schrift uit de kast en hij tekende er een kip op. Project KIP was geboren.

Inmiddels heb ik de nodige informatie opgezocht en hebben we een gezellig hok en een grote afrastering besteld. Want ze moeten wel lekker kunnen scharrelen, onze kipjes. “Míjn kipjes,” hoor ik zoonlief in gedachten al zeggen, haha!

Ik heb er eerlijk gezegd zelf ook al veel zin in. Het lijkt me wel gezellig, zo’n toompje kippen die gemoedelijk in onze tuin lopen te keuvelen. Van mij mogen de dames al komen. Maar eerst moeten we alles gereed maken. Het hok is gistermiddag bezorgd.

Dat gaan we dit weekend in elkaar zetten. Dan is het nog een paar dagen wachten op de afrastering. Als het een beetje meezit, wordt ons gezinnetje over anderhalve week uitgebreid met drie kindvriendelijke kippen.

Wordt vervolgd

Ik kan geen kip meer zeggen

Nooit gedacht dat het zo leuk zou zijn: kippen voeren. Zo zie je maar weer hoe ontzettend veel je nog van je kind kan leren.

Onze achterburen hebben een stuk of vijftien kippen. Die naar hartenlust in het aan onze tuin grenzende veldje met bomen mogen rondscharrelen. Het is een mooie mix van zwarte, zwart-wit gespikkelde en één bruine kip.

Tot een paar weken geleden gunde zoonlief ze nauwelijks een blik waardig. Wat nu precies de omslag heeft veroorzaakt, weet ik niet. Maar hij is nu stapelgek op ze. Het is kip voor en kip na. Als hij uit school komt, gaat hij eerst naar de kippen toe om ze een broodje te voeren. Nog vóór hij zelf iets gegeten en gedronken heeft. Zodra ze hem zien aankomen, rennen ze als een gek naar hem toe. Nou, de uitdrukking er als de kippen bij zijn, komt niet uit de lucht vallen, dat kan ik je wel vertellen. Nooit geweten dat die beestjes zo snel zijn.

Wat ook heel leuk is om te zien, is dat ze verschillende karakters hebben. Er zijn de haantjes-de-voorste. Er is een verlegen kip die liever wat op afstand blijft. En dan zijn er nog de kippen die altijd bereid zijn om een ander te pikken als hun dat een extra stukje brood kan opleveren.
Wel een beetje vergelijkbaar met mensen dus.

Maar het allermooiste dat mijn zoontje heeft opgemerkt, is de vriendschap tussen de bruine kip en een van de zwart-wit gespikkelde kippen. De twee lijken onafscheidelijk. Waar de een gaat, gaat ook de ander. Prachtig om te zien.

Tot slot is er nog een zwarte kip die altijd naar zoonlief lijkt uit te kijken. Hij zit standaard aan het gaas naar onze tuin te loeren. En vast niet omdat het gras bij zijn buren groener is. Dat is hier namelijk zo dor als wat. Het is net alsof hij op zijn mensenvriendje zit te wachten. Zo schattig! Om kippenvel van te krijgen.

En nu ben ik dus ook al betoverd door die leuke pluimenbolletjes. Als mijn zoontje ze gaat voeren, doe ik vrolijk met hem mee. Genieten van de kleine dingen des levens, dat is het.

Over de geneugten des levens gesproken. Zojuist aten we frietjes. Met, zoals altijd, een lekkere snack erbij. Gezellig buiten met het uitzicht op de kipjes.
Toen zoonlief zijn worst op had, wilde hij nog meer. Ik had al zoveel gegeten, dat ik geen kip meer kon zeggen. Dus vroeg ik hem of hij een stukje van mijn kipstick wilde. Zijn ogen werden zo groot als schoteltjes. Hij keek van mijn kippensnack naar zijn gevederde vriendjes achter het gaas. En daarna naar mij. Met een blik die het midden hield tussen ongeloof en afschuw.
Het zal je vast niet verbazen dat ik geen hap meer door mijn keel kreeg.

Zo stom van me, hoe kon ik dat nu zeggen?! Maar eigenlijk weet ik het antwoord wel. Als ik moe ben, kan ik echt als een kip zonder kop van alles uitkramen. Dan praat ik eerst en pas daarna denk ik na. Geen handige volgorde. Ik denk dat ik vanavond maar met de kippen op stok ga. Als ze me nog willen hebben tenminste.    

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag