
“Zou papa er al zijn?” vraagt zoonlief zich hardop af. Hij begint voor de zekerheid nog wat harder te fietsen. Het is erg om te moeten toegeven, maar ik kan hem nauwelijks bijbenen. En ik kan er moeilijk mijn fiets de schuld van geven – hij rijdt nota bene op een kinderfiets! Mijn conditie is gewoon niet meer wat het geweest is. Zeker niet na al die luie feestdagen waarin het grootste deel van mijn beweging bestond uit het naar mijn mond brengen van mijn vork.
Lichtjes buiten adem – enfin, ik toch – komen we bij het bos aan. We zetten onze fietsen tegen een boom en wachten op papa. Die komt met de auto omdat zijn fiets kapot bleek te zijn. De mazzelaar.
Als we even later compleet zijn, trekken we het bos in. Het is zalig winterweer. Windstil en het zonnetje komt zelfs nog even piepen. Lekker warm ingepakt is het nu echt genieten buiten. Terwijl ik vooroploop en me aan de majestueuze oude bomen vergaap, zijn vader en zoon naarstig op zoek naar geschikte takken om een pijl en boog mee te maken. Want dat is wat zoonlief heel graag wil hebben, sinds een vriendje tijdens een videochat zijn boogschietkunsten aan hem toonde.
Het is nog niet zo gemakkelijk om een goede tak voor de boog te vinden. De een na de andere tak die ze oprapen en uitproberen, krakt meteen doormidden. Tja, wat wil je. Die liggen al de hele herfst op de natte grond te rotten. Maar net als ik zeg dat ze in de lente misschien meer succes zullen hebben, houdt zoonlief juichend een stevige, licht krommende tak in zijn handen. Perfect om de boog van te maken.
“Nu heb je het belangrijkste al,” zeg ik glimlachend tegen hem. Hij kijkt me aan. “Het allerbelangrijkste had ik al. Al héél lang.”
Mijn hart maakt een sprongetje. Wat ontzettend lief. Hij bedoelt ons natuurlijk!
“Touw,” zegt hij droog.
Mijn schaterlach weerkaatst tegen de bomen. Wat is het toch een heerlijk joch. Ik trek hem dicht tegen me aan. Ik touw ook van jou.

