O, moddertje, help!

Yes, eindelijk speelt Daniël even zelf!
Misschien niet de meest vriendelijke gedachte, maar ik heb na eindeloos samen schilderen, samen schommelen en jeu de boules spelen even geen puf meer. Zeker niet met deze hitte. Heerlijk dat hij nu even lief in zijn zwembadje zit te plonzen.

Ik weet uit ervaring dat deze plotselinge me-time niet lang zal duren en besluit daarom snel binnen wat leesvoer te gaan halen. Heel stilletjes sluip ik weg. Want zodra zoonlief zich weer van mijn aanwezigheid bewust zal worden, is de kans groot dat hij weer iets samen wil doen.

Ik heb nog een stapel Libelles liggen, mijn favoriete tijdschrift. Mijn moeder leest ze eerst en bewaart ze vervolgens voor mij. Door de coronatoestanden lag er in juli, toen we haar eindelijk weer konden bezoeken, een stapel vanaf kerst vorig jaar op me te wachten. En tja, ik lees ze wel graag op volgorde. Niet dwangmatig, maar omdat ik de columns en dagboeken chronologisch wil kunnen volgen.

Ziezo, hè, hè. Ik plof lekker op het bankje onder de luifel neer met een verkoelend drankje binnen handbereik. Ik geniet nog even van de aanblik van mijn spetterende zoon en sla dan mijn tijdschrift open. Heerlijk. Het is er eentje van januari, maar hé, wie weet werkt het psychologisch wel verkoelend om door recepten voor de lekkerste oliebollen en modereportages van de hipste skioutfits in een winters landschap te bladeren.

Drie bladzijden later valt het me ineens op hoe stil het in de tuin is. Verdacht stil. Ik kijk op en … o, help. Daar gaan we weer. Daniël heeft het water uit zijn zwembadje overgegoten in de speelgoedbak en is er nu vrolijk emmertjes grond bij aan het kiepen. Eén grote modderzooi is het.

Wat is dat toch met kinderen en modder? Rond sinterklaastijd kruisen ze de halve speelgoedfolder aan, maar eigenlijk vinden ze niets leuker dan kliederen met water en zand.

Ik kijk naar zijn modderbad en de zwarte vegen op zijn tengere lijfje. Ineens gaat me een lichtje op. Zou dat het geheim zijn? Hebben kinderen daarom zo’n fluweelzacht velletje? Ik werp een blik op mijn hielkloven en schilferige, droge benen. En mijn ruwe, veel te vaak gewassen handen. Hm, zou ik?  

Uit de kluiten gewassen

“Mama, kom eens kijken!” roept mijn zoontje enthousiast vanuit de tuin. Ik spoel het sop van mijn handen, droog ze snel af en loop naar buiten.
Zoonlief staat midden op het tuinpad en wijst naar iets voor hem op de grond. Daar ligt op een plastic bakje een donkergekleurd, langwerpig voorwerp. Hij zou toch niet, hier zomaar buiten…, schiet er even door me heen.

Dan laat hij me een Pokémonkaartje zien. “Deze heb ik nagemaakt,” zegt hij trots. Hij wijst op het kaartje de verschillende delen van de uit de kluiten gewassen rups aan. Letterlijk uit de kluiten, want het beestje is van modder gemaakt. Geweldig vind ik dat, als hij zich zo weet te amuseren met zoiets eenvoudigs als water en zand.

“Nu moet hij eerst drogen en dan ga ik hem kleuren,” vervolgt hij. Ik vind het allemaal prima. Het is 36 graden dus ben ik stiekem allang blij als hij zichzelf even vermaakt.
Als de Pokémonrups niet veel later droog is – dat is dan weer het voordeel van de brandend hete zon – vraagt hij waar het stoepkrijt is. We vinden nog wat restjes in het tuinhuis, maar helaas zit de juiste kleur er niet bij. Hij trekt een beteuterd gezicht.
“Ik heb nog wel iets,” probeer ik hem op te vrolijken. “Waterverf!”
Opgetogen volgt hij me naar binnen. Waar het bovendien een stuk aangenamer van temperatuur is. We besluiten de rups naar binnen te halen om hem daar te verven.

Maar dan gebeurt het: er breekt een stuk van de rups af. Zoonlief is in tranen en slaat gefrustreerd in één klap de rest van de rups aan gort. Ik droog zijn tranen en leg hem voorzichtig uit dat modder weer terug in zand verandert als het opdroogt. En vraag hem of hij de rups misschien van klei wil maken.
“Nee,” antwoordt hij boos. “Dan wordt de klei na een paar dagen slecht en moet ik hem weggooien.”

Gelukkig is deze mama niet voor één gat te vangen. Vooral niet als mijn allerliefste schatje verdrietig is. “Weet je wat?” zeg ik, “We maken Pokémonkaarten met waterverf op papier. Dan blijven ze voor altijd goed.”
Vol spanning wacht ik zijn reactie af. Want een platte rups op papier is natuurlijk niet hetzelfde als een 3-dimensionaal exemplaar.

Oef, er verschijnt een voorzichtige glimlach rond zijn lippen. Niet veel later schildert hij er vrolijk op los.

Hij maakt de ene na de andere Pokémonfiguur na. Alles, behalve de rups. Die kan wat hem betreft de pot op. Zat ik er toch niet ver naast.

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag