Babyonderbroekenlol

Hoera, zoonlief is uitgenodigd voor een kinderfeestje! Dat vind ik natuurlijk superleuk voor hem … maar stiekem ook wel erg leuk voor mezelf. Want dat betekent dat ik zomaar een paar uurtjes qualitytime met mijn echtgenoot in de schoot geworpen krijg.

De dagen in de aanloop naar het feestje, fantaseer ik over alle mogelijke leuke dingen die we in die drie uur kunnen gaan doen. Maar probeer ik ook realistisch te blijven. Want ik weet uit ervaring hoe snel die schaarse partnermomentjes voorbijvliegen. We kiezen er uiteindelijk voor om de stad in te gaan en af te sluiten met een lunch in een gezellige brasserie. Ik kijk er echt naar uit: weer eens even lekker man en vrouw zijn in plaats van papa en mama.

Maar de ochtend van het kinderfeestje deelt zoonlief ons mee dat hij niet wil gaan. Hij wil bij mama blijven. Het verbaast me wel een beetje, want het gaat om het verjaardagsfeestje van zijn twee beste vriendjes.
Aan de andere kant: hij is nog maar net hersteld van een fikse buikgriep. En heeft daarna ook nog een verkoudheid opgelopen. Dus ik vermoed dat hij nog niet helemaal lekker in zijn vel zit.

Hij wil wel graag de cadeautjes naar de jarigen brengen, maar daarna meteen weer naar huis. Stiekem hoop ik dat hij misschien toch enthousiast raakt als hij al zijn vriendjes op het feestje ziet. Dat was toen hij nog kleiner was namelijk ook vaak het geval: hij vond het altijd moeilijk om afscheid van mij te nemen, maar eens ik uit beeld was, vermaakte hij zich opperbest.

In de auto op weg naar het feestje wijs ik hem er nog wel even op dat ik niet de hele dag met hem kan spelen: “Je kunt ook naar het feestje gaan terwijl wij de boodschappen doen. Dan zijn we ’s middags allemaal klaar en kunnen we dan spelen,” probeer ik. “Boodschappen doen is toch veel te saai voor jou,” voeg ik er nog aan toe.

Maar meneer is niet te vermurwen: “Ik hou van saai. Ik wil zelfs wel mee naar een barbiewinkel. Of naar een babyonderbroekenwinkel.”
Tja, dan weet je als moeder dat het je zoon menens is. 🙂

Dus rijden we na het afgeven van de cadeautjes weer met zoonlief naar huis. En maken we er gewoon een gezellig dagje thuis met ons gezinnetje van. Ook niks mis mee.

Van de pot gerukt

Pssssssssjjjj.
Lap! Een lekke band. Net nu we al aan de late kant zijn natuurlijk. Gelukkig zijn we niet ver meer van school dus zet ik de laatste paar honderd meter een sprintje in met de fiets aan de hand. Echt lekker gaat dat wel niet met een band die tot op de velg plat is. Zoonlief fietst dan ook al een eind verderop. Maar we kunnen binnendoor naar school dus hoef ik me daar niet al te veel zorgen over te maken.

Ook moet ik niet direct ergens zijn, dus kan ik straks op mijn gemak terug naar huis lopen. Maar regeren is vooruitzien en dus denkt ook deze moeder alvast verder dan haar neus lang is. Want ik heb mijn fiets natuurlijk wel weer nodig. Nu heb ik vroeger nog wel eens zelf mijn band geplakt – compleet met teiltje water en schuurpapier, plakkertjes en andere benodigdheden die je na afloop natuurlijk nooit meer deftig in dat kleine bandenplakkitje krijgt. Maar toen had ik nog een simpele fiets met terugtraprem én zonder versnellingen. Nu is dat een met alle moderne toeters en bellen. En een fietszitje achterop. Hele andere koek dus.

Maar wat een geluk bij een ongeluk: er staat nog een mama bij de schoolpoort die ook altijd met de fiets naar school komt. Ik vertel haar over mijn lekke band en dat ik die echt niet zelf kan plakken. Mijn echtgenoot is nu ook niet direct een handige harry. En mijn grote damesfiets past met geen mogelijkheid in de kofferbak. Dus vraag ik of zij misschien een fietsenmaker in de buurt kent. Eentje op loopafstand.

Zij – mijn redder in nood – heeft echter iets veel beters: de gegevens van een mobiele fietshersteldienst. Mobiel! Eentje die met zijn busje bij je thuis komt en je fiets ter plaatse repareert. Precies wat ik nodig heb. En helemaal niet duur, zegt ze er nog bij. Ik kan haar wel zoenen.

Ik bel de beste man en krijg zijn antwoordapparaat. Nadat ik wat heb ingesproken, belt hij me al snel terug. Ah kijk, dat is alvast een goede service!

Niet veel later is het al zover. In de vroege avond rijdt het busje voor. Zoonlief van zes wil natuurlijk niets van het gebeuren missen en kijkt zijn ogen uit. Aan de wanden van het busje hangen fietsbanden, sleutels en moeren, en allerlei ander gereedschap. De fietsenmaker tilt mijn fiets het busje in en hangt hem aan twee haken die aan het plafond zijn bevestigd. Hij haalt het achterwiel er in no time uit en plaatst er een nieuwe fietsband om. Was hard nodig ook, want het profiel was volledig weggesleten. Mijn zoontje krijgt de oude band in zijn handen gedrukt. Om mee te spelen. Ach ja, we hebben ook nog niet genoeg rommel.

Maar goed, hij is er dolblij mee en laat hem keer op keer de oprit afrollen. Als hij er genoeg van heeft, kijkt hij nog eens goed in het busje rond. Dan valt zijn oog op een rol keukenpapier dat in een houder boven de smalle werkbank hangt. Roept hij ineens keihard: “Is dat om uw poep af te kuisen?”

Kinderen nemen geen blad voor de mond, zeggen ze weleens. Nou, die van mij zeker niet. Nog geen dun velletje wc-papier.

Vieze goesting

De eerste keer kon ik mijn oren bijna niet geloven. Hoe kun je dáár nu aan denken als je ziek bent? Maar mijn echtgenoot had er toch echt heel veel zin in.
“Ik weet niet hoe het komt, maar ik heb altijd vieze goesting als ik ziek ben,” was zijn uitleg.

Nu woon ik gelukkig al lang genoeg in België om te weten dat vieze goesting Vlaams is voor trek in iets ongezonds. Of in iets wat ongepast is. Maar wees gerust, het gaat hier over eten.

Mijn man heeft de – in mijn ogen – ietwat merkwaardige eigenschap om naar een vieze, vette hap te verlangen als hij een paar dagen ziek is. Ik zal nooit die keer vergeten dat we met onze buren hadden afgesproken om hen te vergezellen naar de eetdag van de plaatselijke atletiekvereniging. Manlief ging niet mee omdat hij ziek was. Ik reed daarom met de buren mee. Terwijl ik gezellig met mijn buurvrouw in het afgehuurde zaaltje zat te keuvelen, stuurde mijn echtgenoot mij een sms’je: of we op de terugweg friet konden meebrengen.
Tja, probeer dat maar eens uit te leggen.

En nu ligt mijn zoontje al een paar dagen onder een dekentje op de bank met een fikse buikgriep. Hij moet regelmatig overgeven, heeft geen eetlust en krijgt zelfs koorts. Die arme schat is zo ziek als een hond. Ik geef hem regelmatig een slokje water, maar zelfs dat houdt hij de eerste twee dagen nauwelijks binnen. En hij is al zo mager. Je kunt letterlijk zijn ribben tellen.
Zegt hij ineens: “Mama, mag ik macaroni met kaas?”
Maar echt, hè. Die wilde per se macaroni met kaas. Ik stond perplex. Hoe kun je dáár nu zin in hebben als je buikgriep hebt.

Ik herinner me twee keer dat ik zelf door de buikgriep geveld was. Hoe ik op handen en knieën naar de wc kroop, omdat ik niet op mijn benen kon staan, zo ziek. En dan die keer dat mijn echtgenoot en ik beide een emmer naast het bed hadden staan en zo’n beetje synchroon aan het overgeven waren. Nou, ik kan je wel vertellen: een vette hap was toen wel het allerlaatste waar ik aan dacht. Zelfs iets gezonds als een appel kreeg ik niet binnen.

Wat me weer terugbrengt bij de macaroni met kaas. Manlief is de ingrediënten gaan kopen en ik heb diezelfde avond nog een grote pan macaroni klaargemaakt. Al lang blij dat zoonlief ergens zin in had. En ongelofelijk, maar waar: hij heeft ervan gesmuld. Ik moest zelfs nog een keer opscheppen.

Zo zie je maar weer: de vieze goesting valt niet ver van de boom.

Snoep is gezond

Daar ligt hij dan. Mijn arme, lieve schatje.
Op de bank onder een dekentje. Geveld door een acute buikgriep. Zijn bleke koppie is naar de televisie gericht. Dat is het enige waar hij momenteel zin in heeft. En toe in staat is: liggen en tv kijken.

Af en toe schiet hij overeind om over te geven. Ik hou de kom voor hem vast en streel liefkozend over zijn rug. “Och, schatje toch,” probeer ik hem te troosten.
Het is het enige wat ik voor hem kan doen: bij hem zitten, lieve woordjes fluisteren en hem kleine slokjes water toedienen. En hopen dat hij zich snel weer wat beter zal voelen.

Het doet wat met je als je kind ziek is. Ik vind het heel akelig om hem zo te zien. En dan gaat het hier nog maar om een simpele buikgriep…

Als ik mijn zoon zo pips zie liggen, zet dat wel alles weer even in perspectief. Waar ik soms verzucht dat hij echt wat rustiger moet doen, zou ik nu maar wát blij zijn als hij weer vrolijk en gezond door de kamer stuitert. Maar rechtop zitten is nu al te veel voor hem. Hij is zo slap als een vaatdoek en houdt niets binnen. Heeft zowel het ontbijt als de lunch overgeslagen. En als hij ’s avonds eindelijk zin in een broodje heeft, komt het er binnen de minuut weer uit.

Ik zie het met lede ogen aan. En maak me zorgen. Hij moet wel genoeg vocht binnenkrijgen. Als hij ook nog koorts begint te krijgen, geef ik hem een zetpil. Dat wil hij aanvankelijk absoluut niet. Maar met al dat overgeven is een koortswerend siroopje ook geen optie. Uiteindelijk gaat hij akkoord in ruil voor een Fruitella snoepje, een gele. Nu lijkt snoep me niet het meest geschikte voedingsmiddel voor een zieke maag, maar je moet toch wat.

Als ik wat later zijn temperatuur nog eens check, kleurt het schermpje niet langer rood, maar geel. Verhoging dus, maar geen koorts meer. Oef.
Zoonlief ziet het ook. “Dan wil ik nog een snoepje,” zegt hij opeens.
Ik kijk hem vragend aan.
“Het snoepje was geel en nu staat de thermometer ook op geel. Het snoepje maakt me beter,” concludeert hij.

Ach, lieverd. Was het maar waar.

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag