Hartendief

Ik kan er inmiddels een boek over schrijven: het liefdesleven van mijn zoon. En dan te bedenken dat hij nog maar 6 jaar oud is.

Hij is in zijn jonge leventje al talloze keren verliefd geweest. Op de buurvrouw, op de juffen (twee tegelijk!) van het sportkampje, op een vriendin van mij, op verschillende meisjes uit zijn klas, … En met de kerstdagen was hij verliefd op tante Maria. Ik zag het voor mijn ogen gebeuren. Ze keek geïnteresseerd naar de filmpjes die hij op mijn smartphone had gemaakt, ze gaf hem complimentjes over zijn haar. Hoe meer aandacht hij van mijn zus kreeg, hoe verliefder hij naar haar begon te kijken.

Met het kerstdiner wilde hij uiteraard naast haar zitten. En wat ik toen zag, ging mijn voorstellingsvermogen compleet te boven. Ze prikte een spruitje aan haar vork, hield die voor zoonliefs mond en … hij at ‘m op. Ik zat er met grote ogen naar te kijken. Spruitjes! Dat gaat haar geen tweede keer lukken, dacht ik. Maar ik had het mis. Hij keek haar diep in de ogen en liet zich in totaal maar liefs vijf spruiten voeren. Wie had dat nu gedacht. De liefde van een man gaat inderdaad door de maag. Ook als je zelf nog maar een spruit van 6 jaar bent.

Zijn amoureuze avonturen begonnen trouwens al op de kleuterschool. Onze kleine Don Juan had in de tweede kleuterklas al een ‘liefje’. Zo noemden ze elkaar dus echt, hè. Keischattig. Ook heeft hij onlangs zijn allereerste liefdesbrief gekregen. Ik smolt ter plaatse. Hij helaas niet. Hij vond de brief erg leuk, daar niet van, maar de liefde is helaas niet wederzijds (meer).

Nu vormt hij alweer een tijdje een ‘liefdeskoppel’ met M., een snoezig meisje uit zijn klas. Ik trof haar mama van de week aan de schoolpoort. “Wat zijn ze schattig samen, hè, zo verliefd!” riep ze lachend uit. Haar dochter had opgetogen verteld dat ze hadden gekust. Écht gekust. Op de mond. Maar ook dat ze hem bij het toilet had betrapt terwijl hij klasgenootje A. wilde kussen. Oeps! Toen ik hem er na schooltijd terloops naar vroeg, ontkende hij in alle toonaarden.

Gisteren kwam ik hem onder lunchtijd op school zijn antibioticum brengen. Hij was – zoals de dagen ervoor – apart aan een tafeltje gaan zitten. Toen ik op hem afliep, schoof er een meisje op de stoel naast hem. Ze zei niets, maar keek hem stralend aan. Zo bleef ze daar zitten, met een gelukzalige glimlach op haar gezicht. Ze had duidelijk haar hart aan mijn zoon verloren. En ja hoor, bij thuiskomst vertelde zoonlief dat hij verliefd was op A, het stralende meisje. Maar M. mocht het niet weten. Want dat was zielig voor M.  

Vanmorgen vroeg ik nog even naar de stand van zaken. Kwestie van geen aflevering te missen. Hij was niet meer verliefd, zei hij. Op niemand meer.
Ben benieuwd hoe lang dat zo blijft. Sturm der Liebe is hier niets bij. Zijn liefdesleven is zo wisselvallig als het weer. Dat belooft voor als hij 15, 16 jaar is. Ik hou mijn hart vast. Hij het zijne hopelijk ook nog een beetje.

Dat is het leven, mama

Nog een keer. En nog eens. En opnieuw. Mijn zoontje kan er geen genoeg van krijgen. Steeds opnieuw wil hij het filmpje over het egeltje zien. Het is dan ook wel een heel schattig diertje. En zielig. Want niemand wil naast hem zitten. Niet op school, maar ook niet in de bus. Die ene keer dat hij dan eens mag mee voetballen, kopt hij de bal terug. Meteen lek natuurlijk.

Gelukkig loopt het allemaal goed af. Op kerstavond staan alle diertjes voor zijn deur. Met een cadeau. Egeltje begrijpt er niets van. Hij vindt niets in de doos met piepschuimpjes. Een eekhoorntje pakt een stukje piepschuim en prikt het aan een van egeltjes stekels. Alle dieren helpen mee. Als alle stekels bedekt zijn, geven zijn nieuwe vriendjes hem een dikke knuffel.

Er biggelen dikke tranen over zoonliefs wangen. Hij is helemaal emotioneel geworden van het aandoenlijke filmpje. Ik geef hem een zakdoek en stel dan voor om te gaan tekenen. Dat wil hij wel. Om hem een plezier te doen, besluit ik een egeltje te tekenen. Een heel schattige natuurlijk. Maar daar heb ik wel een voorbeeld voor nodig. En dus pak ik er een voorleesboek van mijn zoon bij. Op de voorkant staat een babyegeltje, in een knuffelzacht dekentje gewikkeld.

Ik doe mijn best om het schattige beestje zo goed mogelijk na te tekenen. Zoonlief zit naast me. Hij is met een eigen tekening bezig. Af en toe werpt hij een blik op mijn poging. Ik werk naarstig verder, nog net niet met het puntje van mijn tong tussen mijn tanden. De oogjes vind ik het moeilijkst. Ik wil uiteraard wel dat mijn egeltje net zo lief kijkt als dat op het boek.

Klaar! Met gepaste trots kijk ik naar het resultaat. Niet slecht, al zeg ik het zelf. Ik heb er dan ook flink mijn best op gedaan.
“Wat vind je ervan?” vraag ik mijn zoon opgetogen.
Hij trekt een verontschuldigend gezicht. “Niet zo mooi. Maar ja, dat is het leven, mama. Iedereen is anders.”

Doe je daar zo je best voor. Ik word er bijna emotioneel van.

Als de konijnen

“Er staat f*ck in ons leesboek,” fluistert hij in mijn oor.
Ik kijk mijn 6-jarige zoon meewarig aan. Hè, wablief?!

Maar dan begrijp ik het. Ze hebben vorige week het woordje ‘fik’ geleerd. Wat overigens niets te maken heeft met ‘in de fik staan’. Dan zou er gekozen zijn voor ‘in de brand staan’. Want in een leesboek voor 6-jarigen staan uiteraard alleen maar keurige woorden.

Fik is een hondje. Ze moeten toch iets bedenken om de kinderen de letters aan te leren. Er staan ook allerlei combinaties met de reeds geleerde letters in het leesboek: ik, fik, lik.
En ja, dus ook het woordje ‘fok’.

Engels leren ze in het eerste leerjaar nog niet. Vieze woordjes daarentegen genoeg. Op de speelplaats uiteraard, niet uit de boeken. En anders pikken ze het wel op van tv, de tablet of de radio. Zoonlief weet dus heel goed dat je geen f*ck mag zeggen. Dat is niet beleefd, hebben we hem geleerd. Maar wat het betekent, daar heeft hij geen flauw benul van. En dat houden we graag nog even zo.

Ik leg hem uit dat je het stoute woordje ‘f*ck’ anders schrijft dan het ‘fok’ in zijn boek. Dat het een Engels woord is. En bovendien iets heel anders betekent dan ‘fok’. Ik denk even na.

“‘Fok’ komt van het woord ‘fokken’,” begin ik. “Stel: een bedrijf wil konijntjes verkopen. Ze beginnen met een paar konijnen en die krijgen vervolgens baby’s. Als die babykonijntjes groot zijn, krijgen die ook weer baby’s. En zo komen er steeds meer bij. Dat noem je konijnen fokken.”

Ineens begint het me te dagen. Ik had misschien toch iets langer over mijn voorbeeld moeten nadenken. Hoezo heeft konijnen fokken niets te maken met het Engelse ‘f*ck’.

Vergis je niet in placemats

We hebben dringend een nieuw bed nodig. Ja, we zijn er doorgezakt.
Nee, geen commentaar.
Onze 6-jarige zoon gaat mee naar de meubelzaak. Ons bed interesseert hem uiteraard geen biet, hij hoopt gewoon zelf een cadeautje te scoren.

Als we bij het binnengaan van de winkel langs een rek met placemats komen, voel ik een win-winsituatie opborrelen: de stoffen placemats die we momenteel gebruiken, zijn dringend aan vervanging toe (de rafels hingen er origineel niet aan). Dus mag zoonlief er nieuwe kiezen.

Ik vermoed dat hij die met de uiltjes het leukst zal vinden. Of anders die met de vosjes. Maar nee, de vosjes wil hij niet. De uiltjes zijn wel leuk, maar er kijkt er eentje boos. Dus ook die kunnen zijn goedkeuring niet wegdragen. Tot mijn grote verbazing gaat hij voor placemats met bloemen erop. Wow!

Als we terug thuis zijn van onze missie – het bed is gekozen en besteld – haal ik een vochtige doek over de nieuwe placemats. En leg ze vervolgens op de eettafel. Het geeft me een instant lentegevoel.

Maar niet voor lang. Zoonlief sprint naar de tafel en trekt de placemats er even snel weer af.
“Die zijn om op te tekenen!” roept hij verontwaardigd.  
Blijkbaar gebruikt de juf kunststof placemats in de klas voor een ander doel.

“Maar nee, lieverd, deze vervangen onze oude katoenen placemats. Het is om je bord op te zetten”, leg ik hem omstandig uit.
Hij kijkt me verbijsterd aan: “Maar dan worden ze vies!”

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag